De introductie van een ‘levenslang’ inreisverbod in het Belgische vreemdelingenrecht: kritische analyse van een controversieel project
Op 26 februari 2026 heeft de Belgische regering bij de Kamer een wetsontwerp ingediend tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (DOC 56 1377/001). (Parlementair stuk/Kamerstuk)
Dit initiatief heeft tot doel de mogelijkheid tot uitspreken te introducereninreisverboden voor onbepaalde tijd, gewoonlijk “levenslange verboden” genoemd, tegen bepaalde categorieën buitenlanders die illegaal verblijven.
Meer precies is de maatregel gericht op mensen die zijn geregistreerd in de T.E.R. database. (Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces), waaronder met name personen die als terroristen worden beschouwd, potentieel gewelddadige extremisten of predikers van haat.
In zijn advies nr. 78.486/4 van 15 december 2025 formuleerde de Raad van State een aantal substantiële voorbehouden ten aanzien van de conformiteit en consistentie van het voorgestelde systeem. Er moet echter worden opgemerkt dat deze opmerkingen niet volledig zijn geïntegreerd in de ingediende versie van het project. (78486.pdf)
1. De algemene economie van het beoogde systeem
Het wetsontwerp is opgebouwd rond drie belangrijke wijzigingen aan de wet van 15 december 1980.
In de eerste plaats introduceert het in artikel 1, § 1, 8° een nieuwe juridische categorie: deinreisverbod voor het leven, los van de bestaande verboden voor bepaalde tijd.
In de tweede plaats worden de toepasselijke regimes aangepast aan de status van de betrokkene. Zo kan voor burgers van de Europese Unie en hun gezinsleden (artikel 44nonies, § 2) een levenslang verbod worden uitgesproken wanneer de betrokkene gekwalificeerd is als een “gevalideerde entiteit” geregistreerd in het T.E.R. database, waarbij de reikwijdte van deze maatregel echter beperkt is tot het Belgische grondgebied.
Aan de andere kant kan een dergelijk verbod voor onderdanen van derde landen (artikel 74/11, § 1) een uitzettingsbesluit vergezellen en gevolgen hebben voor het hele Schengengebied.
Ten derde regelt het project de modaliteiten voor het opheffen van de maatregel. Een verzoek op grond van professionele of academische redenen kan pas worden ingediend na het verstrijken van een termijn van twintig jaar, terwijl een ontheffing om humanitaire redenen mogelijk blijft zonder enige tijdslimiet, maar uitsluitend op initiatief van de betrokkene.
2. De door de Raad van State opgeworpen juridische onzekerheden
In het eerdergenoemde advies signaleert de Raad van State een aantal grote zwakke punten.
De meest beslissende vraag betreft de verenigbaarheid van het project met Richtlijn 2008/115/EG betreffende de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Artikel 3, lid 6, van deze richtlijn definieert het inreisverbod als een in de tijd beperkte maatregel. De invoering van een inreisverbod voor onbepaalde tijd lijkt dan ook op het eerste gezicht moeilijk te rijmen met deze definitie.
De Raad van State merkt in dit verband op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie momenteel een prejudiciële vraag heeft (zaak C-446/24) met betrekking tot een soortgelijk mechanisme, waardoor dit probleem een dreigende controversiële dimensie krijgt.
Bovendien vestigt de Raad de aandacht op de kwestie van de evenredigheid van de maatregel met betrekking tot minderjarigen. Omdat het begrip ‘gevalideerde entiteit’ zich waarschijnlijk richt op mensen van twaalf jaar en ouder, is het aan de wetgever om aan te tonen dat het opleggen van een levenslang inreisverbod verenigbaar is met de evenredigheidseisen die van toepassing zijn op deze bijzonder kwetsbare categorie. Het antwoord van het kabinet op dit punt blijft echter onvolledig.
Ten slotte wijst de Raad op een probleem dat verband houdt met de relatie tussen de uitschrijving van de T.E.R. baseren. en handhaving van het inreisverbod. Het feit dat de maatregel onafhankelijk van zijn aanvankelijke administratieve basis kan blijven bestaan, roept vragen op met betrekking tot de beginselen van legaliteit en evenredigheid.
3. Een project dat op spanning staat met de ontwikkelingen in het recht van de Europese Unie
Het Belgische initiatief maakt deel uit van een bredere hervorming van het Europese terugkeerrecht. Op 11 maart 2025 presenteerde de Europese Commissie een voorstel voor een verordening gericht op het opzetten van een gemeenschappelijk terugkeersysteem (COM(2025) 101 final), bedoeld ter vervanging van Richtlijn 2008/115/EG.
Op 9 maart 2026 heeft de LIBE-commissie van het Europees Parlement een reeks amendementen op dit voorstel aangenomen.
Uit dit werk blijkt dat inreisverboden in principe beperkt zouden zijn tot een maximale duur van tien jaar, met de mogelijkheid van verlenging met opeenvolgende perioden van vijf jaar. Een permanent verbod zou alleen in specifieke gevallen worden overwogen, met name in het geval van een ernstige bedreiging voor de veiligheid.
In deze context lijkt de introductie van een nationaal, mogelijk automatisch, levenslang inreisverbod niet in overeenstemming te zijn met de Europese richtlijnen die momenteel worden ontwikkeld. De regering is zich hiervan ook bewust, maar vindt dat het niet gepast is om de goedkeuring van het project uit te stellen in afwachting van de uitkomst van het Europese proces.
4. De structurele zwakheden van het systeem met betrekking tot jurisprudentiële vereisten
De jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist een rigoureuze individualisering van de inreisverbodsmaatregelen.
In het oordeelFilev en Osmani(C-297/12) heeft het Hof gepreciseerd dat de duur van een verbod moet worden bepaald met inachtneming van alle omstandigheden die specifiek zijn voor elke zaak. Deze eis wordt door de uitspraak versterktK.A.(C-82/16), waarin wordt vereist dat het gezinsleven en de belangen van het kind in aanmerking worden genomen.
Het door het project beoogde mechanisme, en met name de mogelijkheid om na een periode van twintig jaar de opheffing van de maatregel aan te vragen, garandeert echter geen automatische periodieke evaluatie in overeenstemming met deze vereisten.
Ook op het terrein van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens lijkt de in de toelichting voorgestelde analyse onvoldoende. Dit beperkt zich tot een verwijzing naar het arrestMutlag tegen Duitsland(2010), zonder rekening te houden met recentere jurisprudentiële ontwikkelingen met betrekking tot artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
Er zijn echter verschillende recente beslissingen – met nameKaya tegen Duitsland,Sharafane tegen Denemarken,Al-Habeeb tegen DenemarkenEnMiari tegen Denemarken— de noodzaak benadrukken van strikte controle op de evenredigheid van inreisverboden, met betrekking tot het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.
Ten slotte voorziet Verordening (EU) 2018/1861 betreffende het Schengeninformatiesysteem in artikel 39, § 2, in een evaluatie van signaleringen na een periode van vijf jaar. Als dit mechanisme door de overheid als voldoende garantie wordt gepresenteerd, moet worden benadrukt dat het alleen gaat om het handhaven van de signalering in het SIS en niet om het inreisverbod zelf. De assimilatie van deze twee mechanismen is daarom niet vanzelfsprekend.
Conclusie
Het wetsvoorstel dat een levenslang inreisverbod invoert, markeert een belangrijke ontwikkeling in de Belgische vreemdelingenwetgeving. De talrijke juridische onzekerheden die dit met zich meebrengt – zowel met betrekking tot het recht van de Europese Unie als de grondwettelijke vereisten – roepen echter vragen op over de levensvatbaarheid ervan op de middellange termijn.
Door het verlangen naar stevige veiligheid en supranationale juridische beperkingen lijkt het systeem blootgesteld te zijn aan een hoog risico op rechtszaken, waardoor de effectiviteit ervan waarschijnlijk wordt beperkt of zelfs in gevaar wordt gebracht.
Wel in een vonnis23 april 2026, oordeelde het Europese Hof van Justitie in de zaak446/24 in deze bewoordingen: “Om deze redenen oordeelt het Hof (Vijfde kamer):Artikel 3, lid 6, en artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008, die betrekking hebben op de gemeenschappelijke normen en procedures die in de lidstaten van toepassing zijn op de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, moeten aldus worden uitgelegd dat: zij zich niet verzetten tegen nationale regelingen op grond waarvan een verbod op toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt aangenomenonbeperkte duurmet betrekking tot een onderdaan van een derde land die illegaal verblijft en tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, is in beginsel vereist wanneer dit laatste besluitis gebaseerd op het bestaan van een terroristische dreiging, op voorwaarde dat de bevoegde nationale autoriteit terdege rekening kan houden met alle omstandigheden die specifiek zijn voor elk concreet gevalom de bevinding van het bestaan van een dergelijke dreiging en de toepasselijkheid van deze verordening in het concrete geval in kwestie te rechtvaardigen. » (D.T.)
Het Hof beantwoordt daarom de prejudiciële vraag die aan het Hof is gesteld…
Nathalie Oveneke